Openluchtspel


Onder regie van Gerrit Kistemaker werd een door Rien Kolvenbach speciaal voor deze gelegenheid geschreven openluchtspel opgevoerd, getiteld "Dor kum t´n aap uwt d´n boom". Een enthousiaste groep spelers was aan het repeteren geslagen, de geschreven tekst werd door hen met veel plezier ontvangen en is op een mooie manier opgevoerd.

Een korte omschrijving van het verhaal. De molen en de lindeboom hebben jarenlang op de Kapelberg het een en ander zien gebeuren en denken er het hunne van. Een uit het leven gegrepen periode is nader uitgewerkt en wordt door diverse spelers uit het Maas en Waalse veelal in dialect voor het voetlicht gebracht. De weduwe van Piet d´n Mulder speelt een centrale rol. Haar leven wordt met roddel en achterklap begeleid. Maar niet iedereen is van smetten vrij. En alles is lang niet zoals het lijkt. Dat blijkt tenminste uit de verrassende ontknoping.

Het Heilig Boomke, waarvan 14 nieuwe loten na de lentestorm van 1963 zijn uitgegroeid tot een imposante hemelhoge struik, heeft in de loop van vele jaren het nodige gezien van wat er zich op de berg heeft afgespeeld. In het stuk "Daor kum d´n aap uit d´n boom" krijgt deze een stem en praat als Linda met de molen die aan de rand van het Kapelbergterrein staat en daarom over een en ander kan meepraten.
Het stuk speelt zich af in de jaren zestig toen er nog armoede was in het Land van Maas en Waal. Toen bijna iedereen nog naar de kerk ging en de mannen na afloop ervan naar de kroeg gingen om er een borreltje te drinken, waarna de "zondagse soep" werd opgezocht. In het stuk spelen types die iedereen wel kent uit de eigen omgeving. Op straat komen veelvuldig twee roddeltantes elkaar tegen. Trouwens iedere dorpsbewoner legt wel een brede interesse of zo je wilt nieuwsgierigheid aan de dag en is er als de kippen bij wanneer er zich iets afspeelt wat men niet kent. Een kleine veertig acteurs, van hoofdrolspelers tot figuranten, waaronder ook een aantal kinderen, deden aan het stuk mee. Sommigen met veel ervaring, andere voor de eerste keer, maar het was een hechte groep, een grote gemeenschap. Op vrijdag avond was het wat aan de frisse kant, zaterdagavond met zonneschijn en zondag in beide voorstelling af en toe wat regen. Het deerde hen niet; er werd gewoon gespeeld alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
Toeschouwers die een beetje gevoelig zijn voor nostalgie worden meegezogen in het stuk. Een veldwachter waakt. Het kerkvolk op z´n zondags verlaat de kerk en mannen duiken van daaruit de kroeg in voor één of meer borreltjes en de praat die er natuurlijk bij komt, hier en daar gelardeerd met platte humor. Buiten de kroeg lopen nieuwsgierige roddeltantes op straat. Types zoals iedereen ze wel in de familie- en vriendenkring heeft. Herkenbaar, onuitstaanbaar kleingeestig, maar door de overdrijving juist erg komisch. "Ik zeg, vreselijk komisch! Ik zeg, vreselijk komisch." Een paar rollen die elke toneelspeelster graag zou willen spelen. Een krom oud vrouwtje brengt een enorme pan soep naar haar uit de kluiten gewassen zoon, die de soep opslobbert als een varken. In de kroeg gaat een tientje van hand tot hand, omdat iedereen bij iedereen in het krijt staat. Mannen op oude brommers, in lederen jassen rijden door het dorp. Tal van andere figuranten, zoals een bejaarde vrouw en een postbode die zich het briefgeheim eigen maakt, completeren het dorpstafereel. In een klein huisje naast de kroeg zit Marie Madeleine, de weduwe van de molenaar, Piet de Mulder. Van armoede betaalt zij de bakker en de slager in natura en dat levert stof tot praatjes. Ze is getergd en verbitterd door haar eenzaamheid en door de genadeloze roddel en achterklap. Er komt een strenggelovige met een bijbel, die hel en verdoemenis aankondigt. Een type dat geplukt lijkt uit "Knielen op een bed violen". Zijn lange zwarte gedaante en de priemende grote ogen doen huiveringwekkend aan. Zijn zwaarmoedigheid en belezenheid wordt op een geweldige manier gerelativeerd en bespot door zijn eigen verbastering van spreuken en gezegden. Een vrolijke troubadour met zelfverzonnen nieuws wordt door Marie Madeleine na zijn liederlijke spotzucht getrakteerd op een emmer koud water; leedvermaak alom.
Wanneer het dorp wordt aangedaan door een zonderling in een 2CV, lijkt er verandering te komen in haar situatie. Het blijkt een geleerd type, een botanicus, kruidendokter en kwakzalver met een geaffecteerd taalgebruik. Hij wordt haar kostganger en natuurlijk bloeit er iets moois tussen de weduwe en deze zonderling. Het verkilde hart van Marie Madeleine smelt, het eelt op haar ziel verdwijnt en ze verheft zich boven de spot van de dorpelingen. Ze helpt met het aanprijzen van de geneeskruiden aan de dorpelingen. Marie Madeleine was niet alleen een komisch typetje. Dat kwam onder meer tot uiting toen zij zich wendde tot Maria, die na 700 jaar nog steeds gebeden van eenzame vrouwen blijkt te verhoren. Haar geplaagde en getergde geest bloeide op bij het uitzicht op een nieuw leven. Het romantische sprookje werd meteen ook weer bespot door de onwaarschijnlijke onthulling, dat zij een kind zou zijn van Prins Bernhard van Lijpe Bijsterveld. En haar kostganger was Jonkheer de Raay van Zuidewijn. Samen vertrekken zij aan het slot naar zijn kasteel (chateau briand) in Frankrijk, niet - zoals de bedoeling was - in een prachtig rijtuig, maar dat krijgt weer een komisch tintje doordat er geen ruituig beschikbaar is en genoegen moet worden genomen met een oudmodische handkar met een fanfare orkest met twee muzikanten.
Schrijver Rien Kolvenbach en regisseur Gerrit Kistemaker hebben met deze productie, samen met alle spelers uit de regio, een geldige prestatie geleverd. Diverse taferelen waren vol van herkenbare nostalgie, humoristische zelfspot over de bekrompenheid van het dorpsleven. Sommigen in het publiek hadden nog meer tempo verwacht, anderen juist wat meer devotie vanwege de Mariaverering op deze heilige plaats. Toch was het voor velen genieten, met tranen in de ogen op een van de mooiste plekjes van ons land.